fragment Cijferpaleis

Opnieuw zit ik rechtop in m’n bed, nat over m’n hele lijf. Judith zit naast me en aait over mijn rug.

‘Wéér die nachtmerrie?’ vraagt Judith fluisterend.

‘Nee, nee. Er is iets… Iets met Anne.’

Ik sta zo snel op dat het duizelt. Ik val terug op bed, sta opnieuw op en ren naar Annes kamer. Het gordijn is open en in het schijnsel van de lantaarnpaal staart Annes lege bed me aan. Natuurlijk is ze niet thuis. Ik ga op mijn knieën naast het bed zitten en aai over het hoofdkussen.

‘Anne, lieve Anne, waar ben je?’ vraag ik telkens opnieuw, ook al weet ik precies waar ze is.

‘Anne, lieve Anne, waar ben je, waar ben je dan toch?’

Een zachte bries waait door de kamer, samen met een vleugje Judith. Ze is geluidloos naast me komen zitten en ik begraaf mijn gezicht tussen haar borsten.

Lepeltje-lepeltje aan Judith vastgeplakt met mijn angstzweet word ik wakker in Annes bed. De kerkklok is druk aan het werk, maar dat heeft me niet wakker gemaakt. Het is Ebbe, hij duwt tegen mijn schouder. Een zonnestraal schijnt door Annes raam, precies op zijn gezicht, asgrauw als een oud lijk. Met beide handen klampt hij mijn oude transistorradio vast.

‘Papa, papa,’ fluistert hij, ‘ze zeggen dat er iemand uit het raam is gevallen van de kliniek. Helemaal van de allerbovenste verdieping.’

De transistorradio glijdt uit zijn handen en het antieke plastic barst open op het laminaat.

‘Een meisje, papa. Ze zeggen dat het een meisje is!’