Doodgaan

Anne verblijft inmiddels op de gesloten afdeling. Judith en Koen brengen haar een beschermdeken.

‘We hebben iets heel bijzonders voor je,’ zegt Judith zo zacht dat Anne wel moet luisteren. ‘Een energiedeken die je beschermt, die je helpt minder bang te zijn.’

Judith legt de deken op tafel. Anne kijkt ernaar en leunt zelfs iets naar voren. Ze strekt beide armen uit naar de deken, zodat de mouwen van haar hoody omhoogschuiven. Haar rechterpols zit nog steeds in een dik verband, haar linkerpols is bezaaid met rode vlekken, korsten en schrammen.

‘Stop, stop,’ schreeuwt de Haakneus. Ze komt luid klossend op ons af, grist de deken uit Annes handen en bekijkt hem argwanend.

‘Wat hebben we hier? Nou, wat hebben we hier?’

Ze kijkt Judith streng aan. Het puntje van haar haakneus trilt.

‘Altijd eerst laten checken, nooit zomaar iets geven, dat moet u zo langzamerhand toch weten.’

Judith strekt haar handen uit naar de deken en neemt die met een rustige beweging van de Haakneus over. Haar hand strijkt daarbij langs die van de Haakneus.

‘Onze excuses,’ zegt Judith zacht maar helder, ‘dat waren we vergeten.’

Ammehoela, denk ik, maar ik hou me in. Zeker omdat Judith me een korte blik toewerpt. De neus van de Haakneus trilt niet meer en haar gezicht staat al wat zachter. De twee vrouwen spreiden de deken uit en de Haakneus voelt nauwkeurig of we er geen vijl of zo in hebben genaaid. Alsof Judith ma Dalton is.

‘Volgende keer niet vergeten, hoor,’ zegt de Haakneus. Judith knikt instemmend en geeft de deken aan Anne. ‘Geniet verder van jullie bezoek. Jullie hebben nog een halfuur.’

‘Sta eens op Anne,’ zegt Judith. Met dekenpunten in beide handen spreidt ze haar armen wijd en hoog uit, zodat de diepe wortels en brede kruin van de levensboom zich ontvouwen. Anne staat op en valt bijna terug in haar stoel. Ze grijpt zich met beide handen aan de tafelrand vast. Zodra ze stevig staat, drapeert Judith de deken om Annes schouders. Anne grist naar de deken en trekt die strak om zich heen. Ingepakt als een knakworst gaat ze weer zitten. Even nog komt een hand tevoorschijn om het haar uit haar ogen te vegen en dan zit ze stil. Rechtop en stil.

‘Mama, ik moet hier weg. Het gaat hier niet goed met me.’

Judith aait Anne over haar hoofd. Ze aait de gordijntjes nog wat verder open.

‘Is het zo akelig hier, meissie. Is het eten zo moeilijk?’

‘Hier kán ik gewoon niet eten.’

‘Maar meissie, je moet eten, anders ga je dood.’

Anne mompelt iets.

‘Wat zeg je?’ vragen Judith en ik tegelijk. We buigen ons naar haar toe.

‘Hier ben ik al aan het doodgaan, iedere dag meer.’

Fragment uit Het Cijferpaleis, een psychologische roman over anorexia, neurodivergentie en de gesloten jeugdzorg.