Voor wie veel met de trein reist – en zich niet voortdurend in een schermpje begraaft – is het leven één groot schouwtoneel.
Pardon, jongeman, dit is toch de trein naar Arnhem?
Jawel hoor, mevrouw.
Mooi zo. Kom, Aad. Hier gaan we zitten. Tjonge, zaggie dat, Aad. Wat een dik boek is die jongen aan ’t lezen. Nou, ‘k ga wel bij het gangpad. Voor me knie, weet je wel.
Mjah, goed.
Wacht Aad, kijk toch, die duif. Wat doettie gek, zeg.
Mjah, waar?
Die duif daaro met z’n ene poot. Tjonge, benne dat nou woonhuizen daarachter? Och, hij heeft toch twee poten. ‘t Is een manke, kijk toch Aad, zie hem hobbelen.
Mjaah.
Nou, nou, daar gaanne we, dat werd tijd. We zitten al zo lang en nu gaan we pas. Kijk toch an, allemaal van die jonge dingen op het perron met hun navels hartstikke bloot. Als die kleine Lisa dat later maar niet gaat doen, Aad.
Mmmjahu.
Utrecht, ‘t is nog Utrecht zeker. Tjonge, die huizen daar, Aad, da’s wel erg donker met al die bomen zo palrecht voor je neus.
Mjah.
Zie je dat, Aad? Vies hier, hè. D’r heeft d‘r een met z’n schoenen op de bank gezeten. Vies hoor, ‘t is me wat Aad.
Mjah.
Guttegut, zeg. Moete we overmorgen weer dat hele end terugrijen. Maar wat zullen ze blij zijn. Twee nachtjes, eindelijk weer. Steeds maar geen tijd. Altijd maar druk met hunnies winkel.
Mjah, kan zijn.
We zullen er toch nog niet weze, toch? O, zag je dat bordje. Ik kon het in de gauwigheid niet leze.
Mjah
Nou ja, straks lekker koffie, Aad. Kijk toch Aad, daar leg een patatje onder de bank. Tjonge, vies zeg, getverdruppie met al die mayo d’r omheen. Nou ja, we benne d’r zeker wel zo.
Mneuhjah, kweenie.
Ja, voel je ‘t ook. We rije al langzamer, lijkt ‘t. Kom, trek je jas alvast aan. Vlug Aad, ik zie al huizen hier. Zeg, hebben we alle cadeautjes echt mee? Die dure pop voor Lisa echt nie late ligge?
Neeuh, hier in de tas.
O, ja. Wacht, Aad… Ede-nogwat. We benne d’r toch nog niet Aad. Nou ja, laat je jas maar aan. Aanst’ moeten we d’r toch echt wel weze.
…
Hé, Aad, wie staat daar nou?
Huh, wie dan?
Nou Gerrit, ‘t leek wel of die daar stond.
Nou, die gaat zeker hier staan!
Da’s waar ook, die wacht op ons in Arnhem. Kijk nou toch Aad, die meid heb d’r hondje gewoon mee. Zo’n klein beessie… Kijk toch, dat beessie, die eet gewoon dat vieze patatje op.
Mjah
Zeg jongeman, zijn wij nu in Arnhem?
Jawel hoor, mevrouw.
Dames en heren, wij naderen station Nijmegen…
Wat? Tjonge, Aad, ‘t zal toch nie waar…
… Herstel. Wij naderen station Arnhem. Deze trein zal verder alleen nog stoppen te Nijmegen. Denkt u bij het verlaten van de trein aan uw persoonlijke eigendommen.
Nou, nou, ouwe mensies aan ’t schrikke maken. Aad, kom. Nou benne we d’r echt. Wat zulle ze blij weze, Aad, wat zal die kleine Lisa en onze meid blij weze. Twee dagen, heerlijk Aad, is ’t nie?
Mmjaaahaah.
