Walgdruppelaar

Soms is verbeelding het enige wat niet opgesloten zit. Zelfs niet in de eindeloze verveling van de gesloten jeugdpsychiatrie. Een fragment uit ‘Het Cijferpaleis’.

‘Als je maar hard genoeg aan iets denkt, met alle kracht in je hoofd, dan gebeurt het ook,’ zei Meggie en ze trok een gezicht alsof ze heel hard nadacht. Of heel hard in haar broek zat te poepen. We kwijnden uur na uur weg op bed en er gebeurde niets, hoe hard ik ook dacht.

‘Weet je waar ik nu aan denk?’ vroeg Meggie ergens in dat eindeloze niets. Mijn walgdruppelaar was eindelijk leeg. Ik zat zo barstensvol dat ik bijna vanzelf moest kotsen. Vastgebonden kotsen is niet goed. Regenwormen worden daar heel chagrijnig van en ik krijg nog straf ook. Kotsen op commando had ik allang geleerd, van Sophie.

‘Alleen als het echt niet anders kan,’ had ze me gewaarschuwd, ‘je kotst het glazuur van je tanden.’

Ik had zo min mogelijk gekotst, alleen als Enna mijn kop uit elkaar schreeuwde.

‘Nou, weet je waar ik aan denk?’ vroeg Meggie opnieuw.

‘Nee… Ga je weer weglopen? Gaat hier dus niet, duh.’

‘Zie je die knikkebollende vissenkop in het aquarium? Zie je hoe groot dat raam is?’

Ze wees naar de regenworm die achter het glas rechtop in zijn stoel zat te slapen. Het lukte me maar net om de slappe lach weg te drukken.

‘Dat glas, dat is waar ik heel hard aan ga denken en dan…’

Meggie keek diep in mijn hoofd naar binnen, ver voorbij Enna.

‘Ik denk en denk,’ zei Meggie met hese stem, ‘en dan… dan… BOEM!’

Ik schokte zo hard met mijn lijf, dat de metalen rand van het bed tegen de muur knalde en er kalk van de muur losdwarrelde. Meggie gierde het uit. Heel even maar, want Vissenkop stormde vanachter het glas vandaan.

‘Kappen nou, meiden!’

Het Cijferpaleis is een psychologische roman over anorexia, neurodivergentie en de gesloten jeugdzorg.