Plassen

De eerste dag op de open afdeling ontmoet Anne haar medebewoner Sophie.

‘Hee daar,’ zei iemand achter me, ‘jij bent toch die nieuwe?’

Ik draaide me om en keek naar mijn spiegelbeeld. Precies even lang, even wanstaltig dik en hetzelfde piekerige, blonde haar.

‘Ja,’ zei ik, ‘ik ben Anne.’

Ze keek me aan, scande mijn lichaam met halfopen mond en proestte het uit. Het duurde een hele tijd voor ze weer kon praten.

‘Ja, Anne, dat je een annie bent zie ik ook wel. Ik ben Sophie, ook een annie.’

‘Ik heet Anne, niet Annie.’

‘Ja, duh, maar je bent wel een annie. Je weet wel, de anorexiaatjes. Je hebt hier gekken en dwazen in alle geuren en smaken. Schizo’s en dissies, aspies en depri’s, angsthazen en korte lontjes en last but not least de marathonrukker, aka Serial Wanker… Zeg, wat kijk je nou dom?’

‘Ik moet echt heel nodig,’ zei ik en wees naar de deur. ‘Kun je die bewaken? Het slot is stuk.’

Sophie knikte en ik ging plassen. Ik deed het al heel lang bijna in mijn broek, ook al had ik hooguit een litertje water gedronken voor het wegen. Eerst kwam de plas druppel voor druppel, alles verkrampt, maar eindelijk stroomde het. Zo licht, zo heerlijk licht.

Ik depte me droog, deed mijn broek omhoog en liep de gang op. Sophie stond met haar billen tegen de muur en kraste met haar nagels in de verf. Ze had twee kale plekken gemaakt, links en rechts van haar heupen. Nou ja, kaal, eerder diarreebruin. Op de vloer lagen kotsgroene verfschilfers, links en rechts van haar voeten.

‘Zo, dat was lang. Heb je gekotst?’ vroeg Sophie.

‘Wat? Nee joh, ik moest gewoon heel erg.’

Fragment uit Het Cijferpaleis, een psychologische roman over anorexia, neurodivergentie en de gesloten jeugdzorg.